
Nederland Therapieland
Worden al onze problemen opgelost als we massaal in therapie gaan? Een verkenning van de Nederlandse therapiecultuur.
Therapie is overal. We praten erover op feestjes, verslinden zelfhulp- boeken en ‘werken aan onszelf’. Nederland is – zonder dat we het doorhebben – veranderd in een therapiecultuur: een nieuw therapeutisch model bepaalt hoe we naar onszelf, relaties, werk, onderwijs, burgerschap en de maatschappij kijken. In Nederland therapieland onderzoekt Katie Vlaardingerbroek hoe therapie is uitgegroeid tot een nieuw zingevingsmodel. Met scherpe analyses en gesprekken met onder anderen Dirk De Wachter en Israel van Dorsten laat ze zien dat therapie naast oplossingen ook nieuwe problemen en risico’s met zich meebrengt.
Een urgent en toegankelijk boek voor iedereen die zich soms afvraagt: waar zijn we nou mee bezig met elkaar?
Nieuwsgierig? Begin hier meteen met het eerste hoofdstuk
Een cultuur vol paradoxen
Er is een grote kans dat jijzelf of iemand in jouw naaste omgeving een keer met overspannenheid, burn-out, een depressie, angststoornis of een andere vorm van psychisch ongemak thuis op de bank hebt gezeten. Waarschijnlijk liep meer dan een kwart van de Nederlanders in het afgelopen jaar rond met psychische klachten.1 Dat gaat om ongeveer 4,7 miljoen mensen. Hiervan heeft zo’n 32%, een kleine 1,5 miljoen mensen, aangeklopt voor hulp bij de geestelijke gezondheidszorg (ggz).2 De grootste groep Nederlanders met psychische klachten zoekt dus geen hulp. De mensen die wel aankloppen voor hulp zijn er meer dan de ggz aankan. De kranten staan er al jaren vol mee: we staan massaal in de rij voor de psycholoog.
Tegelijkertijd hebben we in Nederland een van de best uitgeruste, meest gedifferentieerde en daarmee luxe psychische gezondheidzorgsystemen in de wereld. Behalve in Vlaanderen werken er nergens in de wereld zoveel professionals in de psychische gezondheidszorg per hoofd van de bevolking als hier.3 Ondanks deze grote hoeveelheid hulpverleners lijkt de druk op de ggz op te lopen. De verenigingsbranche van de ggz waarschuwt al jaren voor de oplopende arbeidskrapte.4 Niet alleen dat, maar er is meer verzuim in de ggz dan in andere zorgbranches. Daarnaast ervaren psychologen en therapeuten meer emotionele werkdruk en meer regeldruk dan andere zorgmedewerkers.5 Alle drie de psychologen die ik sinds 2022 heb gehad, hebben last gehad van een vorm van overspannenheid. Twee van de drie vielen daardoor (tijdelijk) uit, waardoor mijn behandeling door hen ook kwam te vervallen.
Ondertussen blijven de wachttijden in de ggz een groot probleem, al jarenlang. Deze wachtrijen leiden volgens psychiaters in sommige gevallen tot meer zelfverwonding en in de ergste gevallen tot zelfmoord onder hulpzoekers.6 Officieel is er de Treek norm, die stelt dat je maximaal veertien weken mag wachten voordat de behandeling begint. Meer dan de helft van de mensen moet op het moment langer wachten dan die gestelde norm.7 Zelf heb ik ook maanden in de rij gestaan. Het is echter de vraag of de informatie over de wachtrijen in de ggz waarover wij beschikken klopt en betrouwbaar is.8 Hoe meer ik in de ggz en therapie als systeem dook, hoe meer ik ontdekte hoe weinig we met elkaar eigenlijk weten. Dat intrigeert, vooral omdat er aan alle kanten wel kritiek en geklaag klinkt: op de slecht werkende ggz, de geld beluste zorgverzekeraars, de financieel naïeve psychologen, de afhankelijk geworden luie burgers, de lakse politiek en ga zo maar door. En toch blijven we met elkaar onze tijd, onze energie en ons geld investeren in therapeutische hulp. We zitten als Nederlanders in een vreemde situatie als het om therapie gaat, waarbij we enkele paradoxen tegenkomen:
1. Therapie kan individuele mensen enorm helpen met hun mentale problemen en tegelijkertijd als systeem voor hulp vragers én hulpverleners meer (psychische) problemen veroorzaken.
2. We hebben een van de beste geestelijke gezondheidssystemen in de wereld en tegelijkertijd is er juist een stijging in het aantal Nederlanders dat hulp zoekt voor angstigheid en somberheid.
3. Er worden constant nieuwe therapievormen ontwikkeld binnen en buiten de ggz, zonder dat we sneller of effectiever psychisch beter worden met elkaar.
Hoe kan dit en wat heeft dit ons te vertellen over onze situatie? Dit hoofdstuk gaat hier verder op in om zo te verkennen hoe we over therapie denken en hoe we hier beschouwend en kritisch naar kunnen kijken. We zijn gewend geraakt om in polariteiten te denken: ‘Het is X óf het is Y’, ‘Je bent voor of tegen’, ‘Iets is goed of slecht’. Dat helpt ons niet om beter te doorgronden wat er aan de hand is. Het wordt interessanter en relevanter wanneer je ogenschijnlijk tegenovergestelde dingen naast elkaar zet en ze samen bekijkt. Dat is de basis van dit boek. Neem de ggz. Wat als dit zowel een fantastische hulpbron als tegelijkertijd een absolute ramp is? Deze wisselwerking, frictie en diepte tussen twee paradoxale waarheden, heeft ons veel meer te vertellen over de situatie waarin we ons bevinden dan als we een van de twee kanten van een paradox verdedigen. Als we beter kijken naar de bovenstaande paradoxen zien we namelijk dat juist de schijnbare tegenstelling ons iets belangrijks vertelt over hoe therapie werkt:
1. Iets wat ons beter maakt, kan tegelijkertijd ziekmakend zijn;
2. Welvaart vermindert psychisch lijden niet vanzelf – het lijkt er juist aan bij te dragen dat meer mensen bij psychisch lijden om hulp vragen.
3. Het ogenschijnlijke succes van therapie betekent eigenlijk dat therapie niet zo goed werkt als we denken.
Iets wat ons beter maakt, kan ook ziekmakend zijn
Een belangrijke aanname binnen (praat)therapie is: ‘Baat het niet, dan schaadt het niet.’ Therapie biedt hulp en hulp zoeken is moedig én moreel, omdat je daarmee je verantwoordelijkheid neemt. Maar als je vervolgens in therapie bent, begint er iets vreemds. Als je naar de dokter gaat vanwege een infectie, dan krijg je antibiotica. Deze, en alle andere medicijnen en behandelingen in de gezondheidszorg, hebben een bijsluiter. Dit gebeurt niet wanneer je tegenover de psycholoog plaatsneemt. De geestelijke gezondheidszorg is bijsluiter-loos. Het is bijna alsof we er zó van overtuigd zijn dat praten of ander therapeutisch werk ongevaarlijk is, dat we niet eens meer stilstaan bij de vraag of we er misschien over zouden moeten nadenken. Tegelijkertijd kennen we, vanuit de media of eigen kring, verhalen over misstanden, misbruik en manipulatie, zowel binnen therapie en de ggz als daarbuiten. We weten dat wanneer mensen in gesloten ruimtes met elkaar praten en de een meer macht en invloed heeft en de ander mogelijk kwetsbaarder of beïnvloedbaar is, dit tot allerlei narigheden kan leiden. Praten is niet ongevaarlijk. Toch doen we in therapie alsof dit wel zo is. Dat is een vreemde discrepantie.
Psychologen en therapeuten kunnen voorbeelden van onveilige situaties binnen de ggz vertellen en hebben aan de andere kant de overtuiging dat wat zij doen niet per se om een bijsluiter vraagt. Er is dan ook weinig goed wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de zogeheten neveneffecten (bijwerkingen) van therapie.9 Klinisch psychologen waarschuwen echter dat er wel zeker schadelijke effecten kunnen zijn.10 Wat ook schadelijke effecten kan hebben is te veel kritiek op therapie uiten. Van de mensen die ik geïnterviewd heb binnen de ggz gaven meerderen aan dat ze bepaalde zaken off-record wilden delen. Binnen de ggz en therapie zijn er ook bepaalde populaire trends, conventies en heilige huisjes, waar je zelfs als hoogleraar voorzichtig mee moet zijn, legden ze uit. Therapie als onderwerp ligt gevoelig en wordt al snel als persoonlijk ervaren. Dit maakt het aankaarten van de meer controversiële kanten van therapie spannend en beladen.
Elk geneesmiddel kan in een te hoge dosering of verkeerde samenstelling averechts werken, verslavend worden of zelfs dodelijk zijn. De notie dat iets wat ons beter maakt, zoals eten, water, medicijnen, zuurstof, in een te hoge hoeveelheid ook ziekmakend en dodelijk kan zijn weten we. Maar dit toepassen op therapie blijft gevoelig. In debatten rondom de somatische gezondheidszorg stelt niemand voor om gewoon maar niet meer naar de huis arts of specialist te gaan. Mensen spreken zich uit, protesteren, delen onderzoek en stellen moeilijke vragen om dingen te ver beteren voor iedereen. Het doel is: mensen steeds sneller beter te krijgen, met zo min mogelijk ziekmakende bijwerkingen. De enige manier om dat te doen, is door juist de nadruk op het ziek makende aspect te leggen, zodat je dat beter kunt begrijpen, ontleden en oplossen. Goede artsen zijn niet de artsen die hiervan wegkijken, stoïcijns doorgaan en defensief worden wanneer iemand vervelende bijwerkingen met hen deelt. Goede artsen zijn de artsen die juist extra alert zijn op de risico’s, meer onderzoek hiernaar doen en snel kunnen interveniëren wanneer iemand een allergische reactie of andere bijwerking vertoont. Er is meer aandacht nodig voor waar het mis gaat, niet om therapie als geheel af te schrijven, maar om betere therapeutische zorg te leveren, met meer transparantie over risico’s en bijwerkingen, zowel persoonlijk als maatschappelijk.


